Rembrandtbeeld

Het Algemeen Handelsblad berichtte hoe ‘het wapperen der Nederlandse vlag en de vreugdekreten der menigte der hoofdstad’ aankondigden dat het eerste publieke monument van Amsterdam was opgericht. Amsterdam liep achter op Rotterdam, Den Haag en Haarlem, waar al eerder beelden voor vaderlandse helden als Erasmus, Willem van Oranje en Laurens Janszoon Coster waren geplaatst. En Nederland liep weer achter op Frankrijk, Duitsland en België waar een ware monumentenmanie heerste.

Het Rembrandt-beeld was, zoals vrijwel alle kunst in de negentiende eeuw, particulier initiatief. Een groep kunstschilders uit Den Haag verenigde zich met kunstbroeders van de pas opgerichte Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae in de ‘De Vereenigde Commissien tot oprigting van een standbeeld voor Rembrandt’. Het ging hen niet zozeer om nationaal gevoel, maar eerder om vaktrots en eigenbelang. Anne Petterson schrijft in haar mooie proefschrift Eigenwijs vaderland: populair nationalisme in negentiende-eeuws Amsterdam (2017) dat de oprichting van een standbeeld niet alleen Rembrandt, maar ook de eigen beroepsgroep tot eer zou strekken.

Moeizame ‘crowdfunding’

De geldinzameling ging moeizaam. De nationale en stedelijke overheden gaven niets. De intekenlijst uit 1841 vermeldt wel Pieter Huidekoper, die in 1842 burgemeester van Amsterdam zou worden, naast zo’n 400 andere leden van de Amsterdamse en Haagse elite. De koninklijke familie schonk zelfs 2700 gulden, ongeveer de helft van het totale opgehaalde bedrag. Rond de 200 mensen doneerden kunstwerken die verloot werden.

Ook bij latere standbeelden en monumenten verliep de crowdfunding niet soepel. Opmerkelijk bij het gedenkteken voor de Amsterdamse geneesheer Samuel Sarphati was dat juist de lagere klassen flink bijdroegen. Maar hij had er dan ook veel gedaan om de levensomstandigheden van de Amsterdamse arbeidersklasse te verbeteren. Soms mislukte een initiatief zelfs helemaal, zoals het Amsterdamse plan om een nationaal gedenkteken op te richten voor de Nederlandse zeehelden van vroeger. Dat initiatief werd in de wielen gereden doordat gelijktijdig actie gevoerd werd voor een standbeeld van Jan Pieterszoon Coen, dat in 1893 onthuld werd in zijn geboortestad Hoorn.

Geverfd gietijzer

Vanwege de weinig succesvolle fondsenwerving zat brons er niet. Rembrandt werd vereeuwigd in gietijzer, dat in één stuk gegoten werd door de Haagse firma Enthoven. Het ontwerp was van de van oorsprong Vlaamse beeldhouwer Louis Royer (1793-1868) die in 1835 van koning Willem I de eretitel ‘beeldhouwer des konings’ gekregen had. Royer was een van de medeoprichters van Arti et Amicitiae en directeur van de Koninklijke Akademie (voorloper van de Rijksacademie). Na de presentatie van een voorstudie bracht Royer enkele wijzigingen aan, op verzoek van de opdrachtgevers. De uiteindelijke staande Rembrandt is imposanter dan de zittende voorstudie.

Ondertussen werd er gediscussieerd over de plek waar het beeld zou komen te staan. Aanvankelijk was de bedoeling dat het op de Dam zou komen. In het Algemeen Handelsblad van 29 januari 1852 plaatste ene  ‘J. F. S.’ een advertentie. ‘Met zeer veel bevreemding’ had hij gelezen, dat het stedelijk bestuur voor de Botermarkt gekozen heeft. Dat plein, waar inderdaad de boter- en kaasmarkt gehouden werd, zou in 1876 Rembrandtplein gaan heten. Het Handelsblad berichtte regelmatig over de voortgang. De liberale krant beschrijft hoe op 7 mei de initiatiefnemers bijeen kwamen om een loden koker met perkamenten oorkonde met daarop een overzicht van de geldschieters in te metselen in het fundament van het beeld. Ook werd een medaille gepresenteerd, bedoeld om de kosten te dekken.

‘den sloopenden adem des tijds’

Op 27 mei onthulde de koning het beeld. Er werden plechtige toespraken gehouden. De burgemeester sprak de hoop uit dat  de beeltenis van de schilder ‘in duurzaam metaal herschapen den sloopenden adem des tijds zal weerstaan’. Er werd drie dagen gefeest met concerten en muzikale soirees. Het Handelsblad bestemde de gehele voorpagina voor de onthulling met een lyrische beschrijving: “Het beeld heeft eene staande rustende houding, met het linker been voorwaarts, hetgeen de uitwerking zeer verlevendigt. (…) terwijl de regter hand, die op de linker rust, eene teekenpen houdt, die, met het daarmede in verband staande wat voorover gebogene hoofd, het beeld het voorkomen geeft, alsof de schilder, na iets afgemaakt te hebben, in ernstig gepeins zijn werk beziet.”  

Verheerlijking

Het beeld is een eerste mijlpaal in de verheerlijking van Rembrandt en van de 17de eeuw. Kunstenaars en de elite maakten het mogelijk, maar hoe dachten de gewone Amsterdammers erover? Anne Petterson onderzocht de Jeremiade van Rembrandt van Rhijn, geschreven door de Amsterdamse schoolmeester en schrijver Jan Schenkman. Verschillende volkse types becommentariëren het beeld. Mie vindt hem maar een ‘vreemden klant’. ‘Zes dhoizend pond!’, dat is veel geld voor ‘een jongen uit main biert’, zegt een stereotypische Jood. Iemand anders vindt een beeld ‘afgoderij’. Bovendien, het beeld staat op hún markt, zodat ‘een dienaar van Politie, ’t Verkoopen daadlijk mij belet’.

In de Zamenspraak tusschen Grietje Weetgraag en haar Buurjufvrouw Stijntje bespreken twee Amsterdamse arbeidersvrouwen het huldeblijk voor Rembrandt ‘de ‘bolleboos’ onder ‘de vele puikschilders’. Ook zij spreken over afgoderij. Bovendien was het vast heel duur, zegt Grietje. Hadden ze dat geld niet beter aan de armen van de stad of het Gasthuis kunnen schenken? Toch vindt Stijntje dat  gedenktekens de vaderlandsliefde kunnen aanwakkeren.  De fictieve arbeidersvrouwen stellen, zoals de oprichters ook voor ogen stond, dat standbeelden de jeugd kunnen aanmoedigen de ‘groote mannen, de sieraden van hunnen tijd en land na te volgen.’ Ik heb het maar niet gecheckt bij de skaters die nu tijdens de Corona stilte het plein voor zich alleen hebben.

Schuiven met Rembrandt

Het beeld is een aantal malen heen en weer geschoven. Van zijn plek vlak bij de Reguliersstraat verhuisde het in 1875 naar de andere kant. In 1924 werd het oude voetstuk door een nieuw vervangen. Wat zou er met de koker met namen zijn gebeurd? In 2002 werd het beeld opgenomen in het Monumentenregister als rijksmonument 518357 vanwege het belang voor de 19de-eeuwse Nederlandse beeldhouwkunst alsmede de cultuurhistorische waarde. Bij de laatste herinrichting van het plein in 2009 werd het beeld gedraaid. In 2006 had de gietijzeren Rembrandt gezelschap gekregen van een beeldengroep van de Nachtwacht, gemaakt door de Russische beeldhouwers Mikhail Dronov en Alexander Taratynov. De beeldengroep verdween en kwam later weer terug. De toeristische attractie, waar tienduizenden selfies gemaakt moeten zijn, was gefinancierd  door de ondernemersvereniging. Begin 2020 verdwenen ze definitief. “Financieel kwamen we er niet uit,” vertelde pleinmanager John Schraven aan Het Parool

Rembrandtpad

Rembrandt heeft met Anne Frank gemeen dat er meerdere beelden van hem in de openbare ruimte van Amsterdam te vinden zijn. Langs de Amstel is sinds 1969 een knielende, schetsende Rembrandt te vinden, gemaakt door Han Wezelaar (1901-1984).

Het bronzen beeld is geschonken door het genootschap Amstelodamum, het Prins Bernardfonds en de Bijenkorf. Voor het Amstel hotel staat sinds 2011 het beeld De jonge Rembrandt, in 1968 gemaakt door Wim van Hoorn (1908-1979). Deze plaatsing is een particulier initiatief van de Stichting Rembrandt aan de Amstel, die ook bezig is met de ontwikkeling van een Rembrandtpad, langs de route die de schilder vaak liep vanaf zijn huis (nu Museum Het Rembrandthuis) tot aan Ouderkerk aan de Amstel.

Op de binnenplaats van Museum de Hermitage heeft in 2017 nog het beeld Rembrandt in schildersjas van beeldhouwer Gabriel Sterk gestaan maar dat vierde Rembrandtbeeld is inmiddels verhuisd naar zijn geboortestad Leiden.

Annemarie de Wildt is naast conservator van het Amsterdam Museum ook lid van het Stadscuratorium, dat het gemeentebestuur adviseert over kunst in de openbare ruimte.