De Dam tijdens een epidemie

Dodelijk, onzichtbaar en besmettelijk

Toch was er in 1656 een pestepidemie in de stad, zoals die in die eeuw wel vaker voorkwam. Op het schilderij is er een klein, maar luguber getal dat ons daaraan doet herinneren. Links, bij het stadhuis in aanbouw (tegenwoordig het Koninklijk Paleis) staat in krijt, boven de deur van een stedelijk noodkantoortje: ‘896 dooden’. Net zoals we nu dagelijks van het RIVM te horen krijgen hoeveel nieuwe Coronagevallen en – doden er zijn werd dat hier voor Amsterdam in 1656 tijdens de pest bijgehouden. Vlak bij het getal loopt een weeskind (herkenbaar aan de roodzwarte kleding), wellicht om die grimmige realiteit nog eens te benadrukken.

Voor ons is het virus zelf onzichtbaar, maar we hebben wel een notie wat het is dat ons ziek maakt én hoe we onszelf kunnen beschermen. In de zeventiende eeuw was dat anders. Pestepidemieën werden door sommigen gezien als straf van god of veroorzaakt door bedorven lucht. De Amsterdamse arts Paulus Barbette schreef in die jaren dat de Pest een onbegrijpelijke ziekte en een plaag van God was. Het mag niet verbazen dat zijn behandelingen op hun best niet schadelijk waren. Toch tastten de artsen ook toen niet geheel in het duister. Barbette benadrukte dat het in ieder geval duidelijk was dat de ziekte besmettelijk was. Al in 1624 schreef zijn collega Jacob Viverius: ‘Die Pest ontsmettigh acht, die moet nog gaan ter scholen’ [wie de pest als niet besmettelijk ziet, moet nodig nog naar school].

 

Van de zomer van 1655 tot die van 1656 heerste de pest in Amsterdam. Er stierven in die periode, ook aan andere doodsoorzaken dan de pest, 16.727 mensen. Maar het kon nog erger, enige jaren later, in 1664-65 stierven er tijdens een pestepidemie zelfs 24.148 mensen, meer dan 16% van de toenmalige bevolking! Deze pestepidemie, die door heel Holland raasde, leidde tot een door de Staten Generaal ingestelde commissie van professoren en doctoren die onderzochten wat de oorzaak geweest kon zijn van de pest. Zij stelden – vermoedelijk terecht – dat de pest meegekomen was met  een oorlogschip dat in Algiers was geweest waar de pest had gewoed. Vermoed werd dat ook andere pestepidemieën op die manier geïmporteerd waren.

In verbinding met de wereld, en haar epidemieën

Als we dan nog eens naar die zonnige dag op de Dam door Johannes Lingelbach kijken zien we de Italiaanse, Turkse en Armeense handelsreizigers die te zien zijn dan in een ander licht? Lingelbach schilderde ze om trots te laten zien dat de ‘hele wereld’ in Amsterdam kwam handelen. Maar misschien hadden ze naast wijn, olijven en tapijten ook wel de pestbacterie meegevoerd naar Amsterdam?  Het onderzoek van 1665 leidde er in ieder geval toe dat er in heel Holland quarantainemaatregelen werden ingevoerd voor zeelieden uit gebieden waar de pest heerste. Het werkte, want daarna kwamen er in Amsterdam geen grote pestepidemieën meer voor.

Op de Dam van Lingelbach wordt het kosmopolitische Amsterdam in het zonnetje gezet. Zijn beeld doet op meerdere manieren niet altijd recht aan de realiteit. Het straatbeeld in de zeventiende eeuw kende meer diversiteit in het straatbeeld dan alleen rijke burgers, marktkooplui en rijke buitenlandse handelaren. In beeld is een trotse blik op de economische activiteit van de stad. Des te opvallender dat er toch een detail is dat herinnert aan het onzichtbare en dodelijke gevolg van die handel, dat de stad teistert.